Er moet feest en vrolijkheid zijn!

27 maart 2019

Categorie: default - Reageer

 

Er moet feest en vrolijkheid zijn!

De veertigdagentijd wordt overspoeld met de vrolijkheid van carnavalstoeten met hun uitbundigheid aan geluid en beeld. De liturgie kent ook uitbudnigheid, die van Gods barmhartigheid die ons in Christus gul wordt toebedeeld. De ingetogenheid van de vieringen staat in contrast met de vrolijkheid van de lezingen die we zondag aan zondag ontvangen en met de lezingen het verlangen van God naar ieder van ons. Dat is verre van ingetogen! Letterlijk horen wij in de parabel van de verloren zoon die terugkomt: ‘Er moet feet en vrolijkheid zijn!’ En er is feest en wat voor één: alles wordt bijeengebracht om de vreugde van de vader uit te vieren. Gouden ringen en gemeste kalven, muziek en dans en de mooiste lederen. Uitbundigheid troef.

Wat wordt er gevierd: de zoon die verloren was en die is teruggekomen. Ja, maar dat zou ook anders kunnen gevierd worden, met meer respect voor de oudste zoon die een vlekkeloos trouw parcours heeft gevolgd! De oudste zoon steeks zijn ongenoegen ook niet onder stoelen of banken, hij vuurt zijn verontwaardiging af, rechtstreeks naar het hart van zijn vader want blijkbaar kan dat geraakt worden. Het antwoord van de vader is duidelijk en geeft de reden van de uitbundigheid weer: ‘Omdat die broer van je dood was en levend is geworden, verloren was en is teruggevonden’.

Het gaat over leven en dood en waar leven gevonden wordt is er feest! Het gaat ook niet alleen over de zoon die is teruggevonden, maar ook over de broer die levend is geworden. De vreugde van de vader om de zoon die teruggekeerd is, wordt niet gedeeld door de oudste broer en daar wringt het schoentje ‘omdat die broer van je dood was en levend is geworden’. De vader treft met zijn antwoord de oudste zoon, de oudste broer in het hart.

Wij kunnen veel leren uit deze parabel. Allereerst om dankbaar te zijn en hoopvol omdat de Vader ons altijd opwacht, omdat Hij ‘de fouten van de mensen niet telde’ (Paulus in de tweede lezing), maar uitzinnig blij is omdat wij naar Hem terugkeren.

We leren dus de grenzeloze liefde van God kennen, zijn hart waarvan de kamers reusachtig zijn en dat bovendien van verlangen naar ons klopt. We leren ook dat we dat hart delen met onze broeders en zusters en dat wij dan ook van ganser harte mogen delen in Gods vreugde om een broer of zus die naar Hem weerkeert. We leren bovendien dat die vreugde uitziinig mag zijn, feestelijk en vrolijk als uitdrukking van de grenzeloze liefde waarvaan we allen deel hebben. Diegenen die altijd bij de Vader zijn en diegenen die naar Hem weerkeren.

Dat laatste ligt niet in onze spontane aard. We neigen al te veel naar de reactie van de misnoegde broer. Dat is ook zo duidelijk en we kunnen er gemakkelijk gelijk mee halen. Maar ons gelijk is niet hetzelgde als dat van God. Dat reikt verder en vooral hartelijker. In de liturgie vieren wij telkens dat ‘onderdiende’ feest, die goddelijke barmhartigheid. Als we ons daarvan laten doordringen, is er vrolijkheid en feest, veel meer nog dan de uitbundigste carnavalstoet!

 

Reageer

velden gemarkeerd met een sterretje zijn verplicht.

wordt niet getoond