Licht zijn

30 januari 2020

Categorie: default - Reageer

Licht zijn

Met het feest van de opdracht in de tempel (Lichtmis) wordt de openbaringstijd afgesloten die volgt op de kersttijd in de liturgie. De oude Simeon heeft het ‘licht aanschouwd dat de Heer heeft bereid voor alle volken’. Dat licht is verschenen in de kerstnacht en we hebben het ook mogen zien. Eigenlijk wordt de openbaring nooit afgesloten, ze gaat verder doorheen het hele liturgische jaar, maar ook doorheen heel ons leven. Wij hebben met ons doopsel het licht van Christus ontvangen om het te zijn.

De lezingen van de vijfde zondag door het jaar trekken die lijn die met Kerstmis begonnen is door tot in ons leven. ‘Gij zijt het licht der wereld’, zegt Jezus en dat licht mag niet verborgen worden. ‘Zo moet ook uw licht stralen voor het oog van de mensen opdat zij uw goede werken zien en uw Vader verheerlijken die in de hemel is’. ‘Uw licht’, dat is het licht van ons doopsel, het licht dat Christus in ons heeft aangestoken. Het is dus niet het licht van ons eigen kunnen, waarin we onze eigen ‘grootheid’ willen tonen. We horen wel eens zeggen: ‘’t Is geen groot licht’ en dan hebben we het over iemand die niet veel kan. Neen, het gaat niet over het licht dat we zelf laten schijnen om de anderen ermee te verblinden. Dan zetten we de spot op onszelf en tonen we Christus niet.

Bovendien, zegt Jezus, dient dat licht niet om onszelf te verheerlijken, maar wel de Vader! Zoals Jezus zelf de Vader in het licht stelt wanneer Hij het Rijk Gods verkondigt en toont.

De eerste lezing uit de profeet Jesaja zegt hoe we dat licht kunnen zijn: ‘Deel uw brood met de hongerige, neem de dakloze zwervers op in uw huis, kleed de naakten die gij ziet, en keer u niet af van uw medemensen’. ‘Dan zal uw licht stralen als de dageraad’, voegt de profeet eraan toe. Dat is duidelijke taal en die zien wij in Jezus ook gebeuren. Hij is het licht van de wereld. Nu wij nog!

De apostel Paulus zegt aan zijn parochianen van Korinthe dat hij het evangelie niet verkondigde met welsprekendheid of geleerdheid, dus niet met zijn eigen kracht, niet steunend op menselijke wijsheid, maar op de kracht van God. Het is de heilige Geest, dezelfde die in Christus was, die de apostel laat verkondigen. Zo is het diezelfde heilige Geest die in ons Gods kracht laat horen en zien. Wie leeft vanuit die heilige Geest, verheerlijkt God in woord en in daad. Niet opgesloten in het eigen streven naar volmaaktheid – ook Paulus voelde zich zwak – maar vertrouwend op God zoals Jezus dat deed.

Wij openbaren Gods liefde dus verder, verkondigend, vierend en dienend, maar niet met onze eigen kracht. Op die wijze openbaren christenen Gods liefde in alle tijden, ook in de onze. Heel concreet, daadkrachtig en onbevreesd als licht dat straalt in de duisternis. We zijn allemaal in ons doopsel en vormsel toegerust met de heilige Geest om deze zending op te nemen. Er is veel licht dat we kunnen brengen in onze gezinnen, op ons werk, in onze verenigingen, in de school, in onze gemeenschappen en parochies. Misschien moeten we ons eerst wenden tot hét Licht, Christus zelf, ons bekeren om zelf dat licht te zijn. Het licht van Christus, hoe innig en heerlijk het ook schijnt, wordt geabsorbeerd door de felle spots die we maar al te vaak op onszelf laten schijnen. Het licht van onze roeping en zending is er dan nog wel, maar het wordt niet meer gezien, het straalt ook niet meer over onze goede werken en het straalt nog minder naar de Vader. Laten we de moed opbrengen om die felle spots te doven zodat het heerlijke licht van Christus weer voluit in ons kan stralen. Het maakt onze goede werken alleen maar beter en ons geloof alleen maar geloofwaardiger.

Reageer

velden gemarkeerd met een sterretje zijn verplicht.

wordt niet getoond