Opstaan uit de dood

24 februari 2021

Categorie: default - Reageer

 

Opstaan uit de dood

De tweede zondag in de veertigdagentijd brengt ons bij de gedaanteverandering van de Heer op de berg. De leerlingen die hiervan getuigen moge zijn, zijn verbluft van de schoonheid die ze zien. De verheerlijkte Heer is duidelijk Jezus die hen geroepen heeft en die zij volgen en tegelijk is Hij anders dan ze gewoon zijn. Wat is er gebeurd? Jezus gunt zijn leerlingen een blik in de toekomst. Zij mogen Jezus zien zoals God Hem ziet, zoals Jezus is van in de beginnen en zoals Hij altijd zal zijn. Er past maar één woord bij: Hij is heerlijk! Die heerlijkheid konden ze al horen en velen met hen. De mensen zijn buiten zichzelf van verbazing als ze Jezus horen, ze zijn verbluft als ze de wonderen zien die Hij verricht. Om nog te zwijgen van alle zieken, bezetenen, zelfs doden die niet alleen zien en horen, maar in hun eigen lichaam ervaren hoe wonderlijk Jezus is en de ontmoeting zij met Hem hebben!

De leerlingen zijn van dit alles getuigen: zij zien en horen wat er gebeurt als Jezus spreekt en handelt, als Hij de Blijde Boodschap verkondigt. Op de berg zien en horen ze nu ook hoe Jezus is als verheerlijkte Heer, als veelgeliefd kind van God. Ze zijn verbluft en willen bij dit moment van waarheid, klaarheid, duidelijkheid blijven. Maar er moet nog veel gebeuren. De weg is nog niet ten einde, de zending van Jezus nog niet volbracht.

Voor de leerlingen is het een grote beproeving om na alle heerlijkheden van Jezus te horen en straks ook te zien dat Hij moet lijden en ter dood zal gebracht worden. Dat kan er bij hen niet in. Dat kan er bij niemand in! Hoe zou het kunnen dat de Zoon van God die alles nieuw maakt en heerlijk, zelf niet kan verhinderen dat hij door het menselijke lijden en de dood moet gaan? Hun reactie, vooral die van de onstuimige Petrus, is dan ook ongeloof hierover! En als God dit dan niet kan verhinderen, dan zullen zij dat wel doen! Grootspraak die begrijpelijk is en herkenbaar, maar die door Jezus streng veroordeeld zal worden als ‘ongeloof’, ‘klein geloof’! We weten dat de leerlingen helemaal niet zullen verhinderen dat Jezus moet lijden en sterven, integendeel, ze zullen nog een schepje bovenop het lijden doen door verraad, verloochening, twisten, vluchten…

Op het einde van het evangeliestuk van deze tweede zondag staat dan ook dat zij er niets van begrepen over dat ‘uit de doden opstaan’. Dat valt ook niet te begrijpen, zoals de gedaanteverandering op de berg die zij heerlijk vinden, ook niet te begrijpen valt. ‘Mijn gedachten zijn nu eenmaal niet uw gedachten’, zegt God en Jezus kent die gedachten, maar Hij is dan ook de enige.

Ook wij hebben geen moeite om wat mooi, gelukt, heerlijk is te aanvaarden in ons leven. Wij verlangen ernaar en als het ons geschonken wordt zijn we terecht dankbaar. Als het om liefde gaat, zijn we bovendien terecht verwonderd dat ons dit ten deel valt en vragen we ons vertwijfelt af waaraan wij het hebben verdiend. We ‘begrijpen’ die heerlijkheid niet en dat hoeft ook niet want we ontvangen ze en zijn er blij mee. Lijden en dood krijgen die vanzelfsprekende ereplaats niet on ons leven. Ze bedreigen ons geluk, wie we willen zijn, ons verlangen, ons leven. En toch staan ze centraal in de Blijde Boodschap en in de zending en het leven van de Boodschapper. Geen Leven, Liefde, Hoop, Geluk met hoofdletters zonder het Lijden en de Dood, eveneens met hoofdletters. Niet omdat ze nu eenmaal horen bij onze menselijke conditie, niet omdat ze onvermijdelijk zijn, maar omdat ze er helemaal bij horen. Wie het eeuwig leven in al zijn heerlijkheid wil zien en ervaren, wie de eeuwige blik van God op zijn geliefde kinderen wil ontvangen, zet lijden en dood niet opzij, maar gaat erdoor, precies zoals Jezus. Ook met de angst, zoals Jezus in de Hof van Olijven, ook met de pijn, zoals Jezus bij het verraad en de kruisdraging. We verheerlijken lijden en dood niet, maar we ontkennen het ook niet en we verafschuwen het ook niet alsof het ons menszijn zou aantasten ten einde toe. Dan zou de dood inderdaad ‘morsdood’ betekenen, uitzichtloos en zonder hoop.

Waaraan kunnen we ons dan optrekken als we toch niet begrijpen van de dood? We kunnen om te beginnen het heerlijke dat we ontvangen inniger laten doordringen in ons leven en samenleven. Minder ‘voorbij-leven’ aan het vele goede dat ons onverdiend ten deel valt. Alert zijn voor het goede dat we aan elkaar kunnen schenken en waardoor we een bron van genade en hoop kunnen zijn voor elkaar. De bron die we dan aanboren is helder en houdt niet op te stromen wanneer het lijden en de dood ons treft in eigen leven of om ons heen. Het is meer dan herinnering aan wat voorbij is en zo fijn was, het is het doorstromen van de waarachtigheid van al het goede dat ons niet loslaat ook niet als we lijden. De vreugde die kinderen en kleinkinderen bij hun ouders en grootouders opwekken, verdampt toch ook niet als ze hen verdriet doen of ontgoochelen? Het helpt hen juist om door de ontgoocheling heen verder te reiken, te helpen, te beminnen.

We kunnen ook dieper luisteren en kijken naar hoe de Heer in het evangelie telkens weer liefde, hoop en geloof wekt waar het leven geschaad werd en tot wanhoop gebracht. Hij gaat ons voor, ons leven ernstig nemend in zijn schoonheid en broosheid, in zijn kracht en zwakheid. Hij reikt ons de hand en nodigt uit om mee te gaan, Hem te volgen tot voorbij het einde, tot waar ‘de dood wordt gedood’ en het eeuwig leven in al zijn heerlijkheid begint. Heerlijk herkenbaar en toch anders, maar wel heerlijk, zo heerlijk als de Heer die de leerlingen op de berg zagen en die wij in iedere eucharistieviering ontmoeten.

 

 

Reageer

velden gemarkeerd met een sterretje zijn verplicht.

wordt niet getoond