Dat is bidden

1 oktober 2014

Ik zie mijn grootmoeder nog in haar tas kijken voor ze naar de kerk vertrok: ‘Kleingeld voor een kaarsje en voor de schaal en haar paternoster’. Dat was in de jaren zeventig. Ik was een kind en vond het zo bijzonder die zondagmorgen tijdens de vakanties wanneer ik met mijn grootmoeder en mijn tante naar de kerk van het Herentalse begijnhof trok voor de mis. Het was er zo anders als in de parochiekerk thuis. Enkele mannen zongen in het Latijn op het kleine hoogzaal, twee begijnen zaten devoot te bidden vooraan in een door hekken afsluitbare ruimte waar ooit veel meer begijntjes hadden gebeden. Een begijn luidde de klokken met de hand terwijl wij het allemaal konden zien en ging wat later rond met een houten schaal (ik dacht dat het voor het luiden was – wat ik zelf ook wel graag wilde doen). De andere begijn ging rond zonder een schaal en stak het geld in haar diepe zakken. In mijn ogen had ze niets gedaan en ik begreep niet waarom de een soms iets teruggaf en de ander het meteen wegstak!

Toen mijn grootmoeder nog leefde mocht ik voor het beeld van ‘heilig Treeske’ een kaarsje branden ‘voor onze Va’ en toen ook zij overleden was, werden het twee kaarsjes. Zo waren ze er toch nog bij. Heerlijk! Er stonden nog knielstoelen en die werden na een belsignaal omgedraaid zodat je erop kon zitten. Mijn grootmoeder mocht de hele tijd zitten, daar had de reuma voor gezorgd. De dames knielden kaarsrecht en onbeweeglijk, de heren wiebelden vooroverbuigend op hun stoelen met één voet op het spijltje. Dat kon ik nog niet omdat ik te klein was, al probeerde ik het elke zondag om te zien of ik nog niet groot was. Met de communie schoot mijn tante naar voor en moest ik blijven om te passen op haar handtas. Een weinig vrome plicht en een beetje onnozel want in mijn ogen had ze het geld toch al aan de begijnen gegeven!

Thuis in onze parochiekerk verliep de liturgie toen al helemaal anders, maar voor mij was het in die donkere begijnhofkerk het mooist. Het is daar dat ik voor het eerst de Paternoster in werking zag. Mijn grootmoeder haalde hem al voor de mis begon uit haar handtas en liet de bolletjes door haar vingers rollen terwijl haar mond bewoog. Toen ik vroeg wat dat was, kreeg ik als antwoord: ‘Dat is bidden.’ Soms betrapte ik haar met diezelfde rozenkrans op de schoot thuis en zelfs een keertje toen ze al in bed lag. Ik begreep er niet veel van, maar was tevreden met het antwoord dat ik gekregen had. Mijn grootmoeder bad veel met haar Paternoster en ik zou hem nu, veertig jaar later zo graag door mijn vingers laten gaan. Want ik heb sindsdien begrepen waar het om gaat: ‘Bidden’. Ik heb de liturgie leren kennen, heb er zelfs veel over gestudeerd en mag het regelmatig uitleggen. Ik heb ook geleerd wat de Paternoster is en hoe je hem bidt. Mijn grootmoeder is er niet meer, hoewel… de kaarsjes branden nog steeds en haar gebed heb ik nu ook begrepen want ik bid het zelf. De grote liturgie van de sacramenten en het getijdengebed zijn de fundamenten geworden van mijn priesterleven, maar het rozenkransgebed is dat ook. Het volkse gebed dat mij verbindt met Jezus en zijn Moeder, met alle kinderen Gods van alle tijden verlaat mij nooit. Ik heb geen handtas, maar wel een broekzak en daarin mijn Paternoster. De bolletjes zullen wel niet slijten zoals bij mijn grootmoeder want ik geef hem voortdurend weg en steek een andere in mijn broekzak als een uitnodiging om te bidden, want dat is het!

Zondag 5 oktober bidden wij de rozenkrans met en voor de parochianen en bedevaarders. We vertrekken om 14.30u aan de eerste statie van de rozenkransweg. Aansluitend wordt in de koepelkapel de zegen gegeven met het genadebeeld.

Dinsdag 7 oktober: Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans

Reageer

velden gemarkeerd met een sterretje zijn verplicht.

wordt niet getoond