Christenen hebben geen achteruitkijkspiegel!

29 september 2011

In die tijd zei iemand tot Jezus: ‘Ik zal U volgen, waar Gij ook heen gaat.’ Jezus sprak tot hem: ‘De vossen hebben holen en de vogels hun nesten, maar de Mensenzoon heeft niets waar Hij zijn hoofd op kan laten rusten.’

Tot een ander sprak Hij: ‘Volg Mij.’ Deze vroeg: ‘Heer, laat mij eerst teruggaan om mijn vader te begraven.’ Jezus zei tot hem: ‘Laat de doden hun doden begraven; maar gij,  ga heen en verkondig het Rijk Gods.’

Weer een ander zei: ‘Ik zal U volgen Heer, maar laat mij eerst afscheid nemen van mijn huisgenoten.’ Tot hem sprak Jezus: ‘Wie de hand aan de ploeg slaat maar omziet naar wat achter hem ligt, is ongeschikt voor het Rijk Gods.’

Lucas 9, 57-62 (evangelie woensdag 26ste week door het jaar)

 

Drie geroepenen, drie antwoorden op een en dezelfde vraag van Jezus: ‘Volg Mij’.

De eerste geroepene gaat ver in zijn antwoord: ‘Ik zal U volgen, waar Gij ook heen gaat.’ Heeft hij al door dat de reis naar Jeruzalem zal uitlopen op het lijden en de dood van Jezus? Heeft hij al door dat de geroepene niet een weg van rozengeur en maneschijn gaat, maar een kruisweg? In ieder geval is hij duidelijk bezeten door Jezus. Het evangelie geeft niet aan of hij Jezus ook daadwerkelijk zal volgen. Het geeft wel een antwoord van Jezus, een eigenaardige vergelijking van zichzelf met landdieren en luchtdieren. Zij hebben onderdak, Hij niet en… de leerling ook niet, hij zal alles moeten achterlaten om Jezus te volgen waar Hij ook heen gaat!

De tweede krijgt een duidelijk woord van Jezus: ‘Volg Mij.’ Kort en bondig de essentie. Blijkbaar wil hij Jezus ook volgen, maar hij vraagt om eerst zijn vader te begraven. Het is niet duidelijk of de vader al gestorven is, of dat dit wordt verwacht. In ieder geval is het een rechtmatige vraag want voor de zoon een religieuze plicht, een voorschrift om zijn vader te begraven. Het antwoord van Jezus klinkt dan ook brutaal: ‘Laat de doden hun doden begraven.’ Wie zijn de ‘doden’ waarop Jezus doelt? Zijn het diegenen die Hem niet volgen en die dus eigenlijk voor de dood kiezen? Zijn het de werkelijke doden? In ieder geval krijgt de geroepene een andere opdracht, van een hogere religieuze autoriteit dan die van het wetboek van Leviticus, nl. van Gods Zoon zelf: ‘Maar gij, ga heen en verkondig het Rijk Gods.’ De geroepene moet het nieuwe leven aankondigen en zich niet laten afleiden of tegenhouden door de dood, hoe eerbiedwaardig die ook is.

De derde geroepene vraagt om eerst afscheid te mogen nemen van zijn huisgenoten. Elia had hetzelfde gevraagd aan Elisa destijds en het ook bekomen. Niet zo bij Jezus. Bij Jezus gaat het niet meer over de huisgenoten, niet in zijn leven en ook niet in dat van de leerlingen. Had Hij niet geantwoord toen men zei: ‘Uw moeder en uw broers zijn daar.’ Met: ‘Wie zijn dat? Mijn moeder en mijn broers zijn zij die de wil van God volbrengen.’ Dat zijn dus de huisgenoten, die van de Meester en die van de leerling en die liggen niet achter hem, maar voor hem.

Deze passage over roeping lijkt brutaal en moeilijk. De kern om Jezus’ onverbiddelijkheid te verstaan zit in de verwachting van het Rijk Gods. De tweeënzeventig die na deze passage worden gezonden krijgen als opdracht te verkondigen dat het Rijk Gods nabij is. Jezus is haastig, haastig om naar Jeruzalem te gaan, om zijn zending te volbrengen, om het Rijk Gods te tonen tot het uiterste toe. Er staat iets te gebeuren en de leerling moet volgen zonder achterom te kijken want in vergelijking met wat komen gaat, stelt dat allemaal niet voor. Het Rijk Gods duldt geen uitstel en het verkondigen ervan ook niet, hoe rechtmatig of billijk het uitstel ook schijnt. De geroepene treedt binnen in een nieuwe dynamiek, hij of zij moet hevig zijn, branden van liefde voor Christus en voor het Rijk dat Hij gevestigd heeft. Wie in vuur en vlam staat blijft niet staan, kan niet blijven staan, moet vooruit en wordt aanstekelijk.

 

Reageer

velden gemarkeerd met een sterretje zijn verplicht.

wordt niet getoond