De Berg Op

25 februari 2015

De tweede zondag in de Veertigdagen heeft iets met bergen. In de eerste lezing moet Abraham met zijn zoon Isaak de berg op die de Heer hen aanwijst. In het evangelie neemt Jezus drie van zijn leerlingen mee en beklimmen zij een ‘hoge berg’. Op de berg raakt de hemel de aarde, ontmoet de mens zijn God, zijn Schepper, zijn Redder.

De eerste lezing klinkt ons op het eerste gehoor wreed in de oren. Kan God dat nu wensen dat Abraham zijn enige zoon offert? Daar kunnen wij niet bij. Maar we vergeten dan iets wat Abraham heel goed heeft onthouden, nl. de Isaak een geschenk is van God. Hij heeft zijn zoon ontvangen in hoge leeftijd en zijn vrouw was onvruchtbaar. Isaak is een godsgeschenk en behoort dus niet toe aan Abraham en aan zijn vrouw Sara. Het is met tegenzin dat Abraham de berg beklimt, het is met de schrik om het hart, maar het is tegelijk een daad van geloof. God heeft Abraham destijds gered door hem Isaak te schenken, Abraham blijft dankbaar en in die dankbaarheid zit zijn gehoorzaamheid. Hij kan God vertrouwen, meer dan hij zichzelf vertrouwt. Hij klimt de berg op om God te ontmoeten en Hij zal Hem opnieuw als een reddende God ervaren. Isaak blijft leven als een geschenk van God. Wij horen die lezing omdat Jezus ook een geschenk is van God. God zelf heeft gedaan wat Hij aan Abraham vroeg. God heeft zijn enige Zoon geofferd uit liefde voor ons om ons te tonen dat Hij een reddende God is.

Johannes, Petrus en Jacobus ontmoeten God op de hoge berg. Zij zien de enige Zoon die door God verheerlijkt wordt. Zij horen dezelfde stem die bij het doopsel in de Jordaan dezelfde boodschap geeft: ‘Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, luistert naar Hem.’

De houding van de leerlingen is die van luisteraars en kijkers. En ze zijn onder de indruk. Ze willen blijven op die hoge berg, zo heerlijk is het er. Zijn Jezus zoals God zijn Zoon ziet: de verheerlijkte, heerlijk om naar te kijken. Maar God schenkt zijn Zoon ook aan de leerlingen met de dringende boodschap: ‘Luistert naar Hem’.

Zo staan ook wij iedere zondagse eucharistie de berg op om de levende Heer te ontmoeten. Wij gaan op met een hart vol twijfels, angst, verdriet of vreugde. Wij zijn dankbaar voor het leven, de hele schepping, voor alles wat de Heer ons geeft. We zijn er ons van bewust dat wij geen eigenaars zijn van dit alles, dat wij het onverdiend hebben ontvangen. We zijn ook gehoorzaam, horen naar de stem van de verheerlijkte Heer. Wij zien Hem ook als Hij zijn lichaam voor ons breekt en deelt. Wij ontvangen de enige Zoon van God als een redder, als de schenker van telkens nieuw en zelfs eeuwig leven.

In tegenstelling tot de leerlingen toen, moeten wij niet zwijgen. Integendeel. De Heer is uit de doden opgestaan, het offer is voltrokken, we mogen er niet van zwijgen en als wij in de eucharistie de levende Heer werkelijk ontmoeten, kunnen we niet zwijgen. En we hoeven ook geen vrees te hebben want wie de levende Heer ontmoet, herkent de uitroep van de apostel Paulus: ‘Indien God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn?’

Reageer

velden gemarkeerd met een sterretje zijn verplicht.

wordt niet getoond