Vierde zondag van de veertigdagentijd

26 maart 2014

We zijn de veertigdagentijd begonnen met de lezing uit het scheppingsverhaal dat de ogen van Adam en Eva opengingen. Zij zagen wat er te zien was: hun schamelheid. De slang had hun gezegd dat hun ogen zouden opengaan... eigenlijk gaan ze dicht want ze zijn de blik van God verloren. Ze zijn niet meer het paradijs, de heerlijkheid van alles wat God hen heft toevertrouwd, zij zien alleen nog wie ze zelf zijn, wat ze zelf kunnen en hebben en dat is niet veel: zij zien dat zij naakt zijn.

Met ons doopsel hebben wij die oude , beperkte, Adam- en Evamens afgelegd en de nieuwe mens aangetrokken: Christus. We zijn niet meer beperkt, eindig, naakt, maar heerlijk... vervuld van de Heer! Onze ogen zijn opnieuw open gegaan en wij hebben door Christus opnieuw God onze Schepper kunnen zien en ook onszelf naar zijn beeld en gelijkenis geschapen.

In de Vierde zondag van de Veertigdagen mogen we dat zien letterlijk nemen. De blindgeborene, die nog niets heeft gezien, ziet Christus en hij gelooft. Hij ziet zoals een mens ziet en hij ziet als Christus, hij ziet dus alles. Van niets naar alles, van blind naar ziende. Dat is de overgang die wij in ons doopsel hebben gemaakt. Onze ogen zijn nu wijd open om alles te zien wat God ons geeft.

We horen deze zondag nog iets bijzonders over ons nieuwe leven als gedoopten: wij zijn door God geroepen, uitverkoren en gezalfd. Zoals David, de grote koning, die in de ogen van de mens de kleinste was, maar in Gods ogen de grootste. Want God ziet niet zoals de mensen naar het uiterlijk, Hij ziet naar het hart. Die blik van God hebben wij ontvangen in ons doopsel en wij werden gezalfd tot koning, priester en profeet. Er is dus veel gebeurd in ons doopsel, veel om te zien, veel om van te leven, veel ook om lief te hebben. Laten wij zien met de ogen van de Heer, naar elkaars hart en elkaar zalven met onze liefde. Heerlijk!

Reageer

velden gemarkeerd met een sterretje zijn verplicht.

wordt niet getoond